Ik zou graag even losbarsten over mijn stage. De leuke dingen, de minder leuke dingen. Zij het niet dat mijn begeleider een zoon heeft die zo vriendelijk is geweest mij even te googlen. Wat vind hij? Mijn jarenlange genante korfbalcariere (mijn lidmaatschap bij de tennisclub die de mislukte jaren bij de korfbalvereniging moet overtreffen wordt blijkbaar niet genoemd), een onderzoek uit het begin van studentenjaar 1 wat nu aan het eind van studentenjaar 2 nog niet af is en ook nog deze web-log. Die stomme google-alerts zijn helemaal niet zo leuk, zeker niet bij nieuwe werkgevers. Ze weten alles al voordat je op gesprek komt. Van je haarkleur tot je schoenmaat, van groep 1 tot J2V en van die ene vriend en de daar op volgende. Bij een sollicitatiegesprek is de eerste vraag niet meer ‘vertel eens wat over jezelf’, of ‘kun je dat gedeelte uit je CV even toelichten?’ maar ‘hoe gaat het nou nu je de overstap naar de opleiding Journalistiek hebt gemaakt?’ of ”heb je nog steeds een vriend?’. Ik schrik me een hoedje en met het schaamrood op de kaken probeer ik zo neutraal mogelijk de meest genante onderwerpen te vermijden. Niet helemaal gelukt maar ik zit hier nog steeds, al zes weken lang, vijf dagen per week. Aanstaande zaterdag ga ik heel, heel erg lang uitslapen. En wee het gebeente van de persoon die mij durft storen voordat ik zelf mijn deur open heb gedaan. (als die deur dan na 2 minuten weer dichtvalt moet je me alsnog niet lastig vallen want dan was het alleen even een tussentijds toiletbezoek)
Be my friend, hold me
Het geluid van een saxofoon klinkt krakerig vanuit de oude stereo. Een halflege koffiemok op tafel, een asbak met wat uitgedrukte sigaretten er naast. Ze staat voor over gebogen bij het raam. Met haar neus tegen de ruit gedrukt veroorzaakt ze wittige vlekken op het raam met haar adem. Ze draait zich om, steekt een volgende sigaret op en gaat in het hoekje van de bank op de leuning zitten. Ze ziet er ietwat zielig uit; opgetrokken knieen, warrig haar, halfgesloten ogen. Niks geen twinkeling, geen lachje, geen enkel spoor van vrolijkheid. Ik weet dat ze nu droevig in zichzelf zit te mijmeren. Dat ze er ook wel een beetje van houd om melancholie en droefheid als emotie te ervaren. Ik weet dat ze het moeilijker heeft dan dat ze zegt. Ik weet het.
Dat ze nadenkt over haar leven, wat nou eigenlijk haar doel, haar ambitie is. Wie haar echte vrienden zijn, wie juist niet. Dat ze sip is om haar vergane glorie, haar liefde. Die is momenteel wat ingedeukt. Gebutst, door een of andere idioot die ik weetikveelwatvoorslechts allemaal toewens. Ik weet het. En zij weet dat ik het weet.
Ik weet dat ze wil huilen maar dat niet kan. Tranen komen niet snel, ze huilt vanbinnen om haar eigen leven en het leven wat ze had kunnen hebben. Emoties die door de wereld buiten haar lichaam niet begrepen worden. Ze huilt en ik weet het. Ik schenk haar koffiekopje voor de derde keer vol en steek zelf ook een sigaret op. Het knallende rood van de asbak lijkt misplaatst in de grijsheid die er heerst in de kamer.
Ik wiebel met mijn benen, wil weg uit deze kamer maar haar niet alleen laten. Wat ik tijdens zulke momenten het beste kan doen en laten weet ik nog steeds niet. Buiten komt de zon door de wolken, een kleine glimlach trekt over haar gezicht waarna haar mondhoeken trillerig naar beneden trekken. Een eerste traan rolt aarzelend over haar wang.
- wordt vervolgd -
Jakkes
Als je gevoelens uit zijn dat meestal moment opnames. Als je heel blij bent, diep ongelukkig, ontzettend verliefd. Zulke momenten gaan over, sommigen blijven wat langer hangen dan de rest, een enkeling daar gelaten die wel voor eeuwig voortduurt. Zo is het ook bij mij. Dat is omdat ik net als ieder ander mens een echt mens ben. Met emoties, en zorgen, een hart vol liefde. Al moet ik zeggen dat dat hart nu enigszins leeggepompt is, de liefde die ik dacht dat ik had is weg. Met zekerheid zeg ik niets en niets heeft of geeft momenteel ook zekerheid.
Als je een langdurende relatie hebt gehad, samen naar verjaardagen ging, weekend bij zijn ouders, weekend bij jouw ouders, dan is het verbreken daarvan een ramp. Op het moment van gebeuren zeggen mensen altijd dat je hele wereld instort. De veilige armen waar je op zulke momenten altijd het liefste in vluchtte zijn nu juist verdwenen. Als je dat niet hebt gehad zeggen mensen irritante dingen als; ‘het was toch maar kort’ en ‘genoeg tropische vissen in de zee’. Dat zeggen ze, en een paar dagen later beginnen ze zich te ergeren aan je verhalen.
Ik moet zeggen dat nu ik vele dagen en vrije momenten thuis zit naast het bed van moeder met mijn laptop op tafel, ik hele dagen kan vullen met zeer onnozele dingen. Patience staat op de hobbylijst op nummer 1, ik sta soms zelfs online op msn. Een huismus word ik zo, een zielige sippe, bleekhoofdige, verwarde trut. Want hele dagen thuis niets doen, daar kan ik niet tegen. Ik ben dan ook altijd weer blij als school eindelijk een aantal zinnige lessen ingepland heeft, al vind ik drama en sociale psychologische beroepsvaardigheden niet zo heel zinnig en is ook mediarecht oervervelend, maar dan nog. Lekker het huis uit en even alleen zorgen voor mezelf. Met Joghannes en Gesley lekker buiten staan tussen de lessen door, weer of geen weer. In de bus slapen, muziek luisteren, met mensen kletsen. En ‘s avonds afspraken maken met oude bekenden.
Als je je er maar een beetje voor inzet is het leven net zo leuk als je het maakt.
Jakkes, ben er even uit geweest, merk je niet?
Over de Leeuw en de liefde
Iedereen heeft liefde. Gaat die liefde niet verder dan de planten in je achtertuin dan zijn er vast wel mensen die jou wat liefde willen geven. En anders zijn die planten ook een erg mooi iets om liefde aan te geven. Nu de wereld langzaam opwarmt gaan al die arme dingen dood, dus wat extra liefde zou niet gek zijn.
Als je van mensen houdt is dat natuurlijk wat anders dan die groene dingen die daar zo genieten van de regen. Ze zeggen wel eens dat je niet weet wat je hebt totdat je het kwijt bent. Op sommige momenten een waarheid, maar ik weet heel goed wat ik nu net heb. Ik heb een Sietse. En ik weet precies dat ik dat heel erg leuk vind. En dat is maar goed ook, want die raak ik niet kwijt. Stel je eens voor dat ik dan nooit zou weten wat ik had?
Als iedereen liefde heeft en alles liefde is zou iedereen dan zo gelukkig zijn als ik? Want Paul de Leeuw zegt; alles is liefde en liefde is alles. Nu zou je je af kunnen vragen waarom ik Paul citeer, ik vind hem altijd een nerd en ik ben blij dat Tobi de zondagavonden bij Joe van mij heeft overgenomen, maar dat moet je maar niet doen. Want op dit moment heeft hij ook eens gelijk (al stort hij al zijn genegenheid op zijn eigen sekse) en is alles liefde en liefde alles.
Dagelijkse sleur
Als er een paar punten zijn die ik mij dezer dagen af kan vragen, zijn dat de volgende dingen;
1. Waarom lig ik al twee dagen in bed? En als ik niet in bed lig loop ik rond in de grootste en mooiste joggingbroek die je maar voor kunt stellen, terwijl ik koffie slurp en nog steeds niets doe? Dit zou allemaal geen probleem en het grootste genot zijn als ik morgen geen groot en belangrijk tentamen heb, en vrijdag evenzo. Verder zijn er nog wat betogen, politiek gerichte artikelen en wat essays over dingen waar ik mij erg over op zou moeten winden, die allemaal wachten om gemaakt te worden, deadline allang overschreden.
2. Waarom zou ik Joris Luyendijk geloven nadat ik zijn boek heb gelezen? Ik dreig namelijk een ongelovelijk slecht beeld te krijgen van de media en wat zij ons voorhouden, laat staan dat ik goede ideeen overhoudt over Arabische landen en dan vooral Syrie. Dat zulke boeken ontzettend slecht zijn voor je algemene mediaontwikkeling, helemaal als je een journalistiek studente bent, lijkt me duidelijk. Misschien liegt Joris ook wel, net als al die eikels van RTL die net doen alsof ze geen leugenaars zijn. Misschien is Joris wel onderdeel van die subjectieve klootzakkerigheid van het nieuws.
3. Als je kijkt naar ware cassanova’s (van die echte, met bruin haar, genoeg geld om al je drankjes te betalen, die veel roken en drinken en je bovendien schatje noemen), en je bedenkt dat ze elke maand, misschien zelfs elke week, hetzelfde verhaaltje ophangen tegen elke chick tussen de 15 en 25 die een beetje borsten en billen heeft; zou je dan nog kunnen geloven dat ze het ook een keer werkelijk zouden menen?
4. Zou het lekker zijn als ik hagelslag, rozijnen, jam én slagroom op één pannenkoek doe?
Laten we het hierbij houden.
Over dat ik niet weet wat babi pangang is.
Wij eten nooit chinees. Laat staan dat we bíj de chinees gaan eten. Van chinese tradities in restaurants weet ik weinig tot niets. Ik ben dan ook erg slecht in het eten bij deze gele broeder. Als ik Joe moet geloven. Joe is namelijk fervent chineeseter, en dan niet thuis, neen, maar bij de man zelf. Zo vertrokken we met haar verjaardag, uiteraard, naar New China. Dat het een avond vol lachers en dan vooral het uitlachen van mij werd wist ik toen nog niet. Zo wist ik niet wat babi pangang was (ik wil wel van dat vlees in die rode saus) en aan het eind wist ik al helemaal niet wat me overkwam. Mevrouw New China kwam met een zilveren schaal vol witte dampende doekjes, die ze met een tang aan ons overhandigde. Mijn verbaasde gezicht was goed genoeg voor de slappe lach van de gehele familie en uitroepen als ‘wat ben jij een onnozel kind zeg!’.
Maar nu, nu komt er gerechtigheid. Vannacht om een uur of heel erg laat was ik met iemand aan de telefoon. Die persoon was evenzo met Joe naar de chinees geweest. Ik moest mijn lachen smoren in mijn kussen, het hele huis sliep immers al, toen hij vertelde over die rare witte handdoekjes. ‘Joe stelde voor om naar de chinees te gaan, vond ik prima. Komen ze ineens met natte handdoeken! Wat moet ik daar mee!?’ Hij wist wel wat babi pangang was, dus hij scoorde meer punten.
Toen Joe mij later mee nam naar een tent die echt heel erg leuk zou moeten zijn, maar er meer ladders, gereedschapskisten en werkmannen waren dan lekker eten stonden we weer quite.
Over dat wij vakantievrienden hebben.
De eerste dag van de vakantie, de eerste van onze dagen in het geweldige en langgerekte lido di jesolo. We maakten kennis met de groep, tenminste, ik, de rest had dat al gedaan tijdens de lange en warme busreis. Door de vrouwen met wie ik mee was werd mij precies verteld met wie je wel leuk kon praten en met wie absoluut niet. Wie er redelijk uitzag, wie er niet uitzag en dat de derde en belangrijkste categorie; de ultralekkere man, er helaas niet tussen zat. We vertrokken, na het inspecteren en bejubelen van onze oranje met roze en groene hotelkamer, naar het strand. Daar liepen we de groep voorbij en zakten enkele tientallen meters verder neer op onze handdoeken om eens goed bij te praten. Er waren immers bijna 3 weken voorbij gegaan zonder dat we elkaar gezien hadden, en aangezien wij vrouwen zijn hadden we veel te vertellen. Hem heb ik nog gezien, en met haar gepraat. Met school zus en na de vakantie zo. Ze vertelden elk klein detail van elke medereiziger, bereidden me voor op het ergste. We draaiden ons om, sloten onze ogen en genoten van de zon, van de eerste en laatste minuten met zn drieen na een lange tijd.
Het werd ons kwalijk genomen, dat we daar lagen. Wij waren ons van geen kwaad bewust, praten en lachten en dachten niet aan de rest van het gezelschap. Dat kwam later wel, bij het avondeten of de avondsluiting. Des avonds aten we dus gezellig met hen, gingen we daarna zelfs naar de karaoke. Niet dat we een lied zongen hoor, wij deden om het hartst mee vanaf onze veilige zitplaats, rechts achterin. Toen we naar huis liepen praatte ik met iemand met een grote glimlach en een roze tshirt. Zij vertelde dat ‘de groep’ het niet leuk vond dat we niet bij hun zaten, die middag, dat we ons afzonderden. Dat was niet leuk, je ging toch met een groepsreis mee? ‘Wat maak je je dik’ dacht ik. Eerste middag, eerste indruk, die verwerk je met je eerste vriendinnen. Logisch lijkt mij. Dat ik ‘s avonds geen lied met je wou zingen in de karaokebar is om andere redenen en een verhaal apart. Gelukkig waren er ook mooie mensen mee. Niet persé qua uiterlijk, daar hebben we het eerder over gehad, maar qua innerlijk. Zo was er een groep van 9 personen, waarvan we eerst dachten dat ze ‘minder cool’ waren. En er was een groep boerenstampers, een stel prachtige mannen. Een paar lieve zussen, twee Katwijkers, en wij. Met zijn 22en maakten we van elke avond een feest, dronken tequila en konden uren lachen en praten, in het café, op het strand of op verscheidene hotelkamers.
We zijn nu ruim twee weken thuis en hebben deze prachtige mensen al een paar keer gezien. Zo vertrokken we dinsdagavond naar een of ander ikhebernognooitvangehoorddorp. Genaamd; Aalten. Ergens achter Doetinchem als ik het goed heb. Joe zij geprezen met haar geweldig roze papiertje, wat tegenwoordig een pasje is, en die mooie uitdrukking uit onze prachtige nederlandse woordenschat schrapt. Auto van pappie, waar vooral de mannen waar we naar vertrokken helemaal weg van waren. De vraag ‘Mag ik er even in rijden?’ werd vaak gesteld en ‘Mag ik dan wel even achter het stuur zitten?’ kwam daarna. Wij schudden onze hoofden en lieten ons, na een colaatje, rondleidden door het huis. Een heuse boerderij, met een deel en 70 stieren in de stal.
Op de heenweg dachten we dat we aan het einde van de wereld beland waren, als bleek dat er achter die bosjes nog steeds geen huizen stonden. Alsof we elk moment over het randje van de aarde in het diepe konden vallen. De belgische Sarah van het navigatiesysteem verzocht ons om nog maar eens links af te slaan, de bestemming was dan bereikt en het huis bevondt zich aan de linkerkant. Geen huis te bekennen, niet één. Weilanden en bomen voor zover het oog kon zien. Joe gaf gas, Maria loerde naar huisnummer 7. ‘Stooooop!’ Ineens waren we er. Een klein brievenbusje vertelde ons dat nummer 7 en 7a zich allebei aan het einde van het desbetreffende pad bevonden. We slaakten een diepe zucht, veegden het zweet van ons voorhoofd, trokken onze shirts recht en waagden de stap. Toen we aan kwamen rijden was er nog niemand, alleen vader en moeder, die ons de eerste dingen vertelden over het runnen van een slachtstierenbedrijf. Later kwamen onze geliefde mannenbroeders, onze vrinden.
Die blijken we te hebben, een stel heuse vakantievrienden. En dan niet alleen voor tijdens de vakantie, ook nog voor erna. Dat sommige daarvan woonachtig zijn op een boerderij ver in niemandsland is niet erg en een beetje overdreven. Alsof wij van die stadstrienen zijn. Veenendaal city, puh. Of we van die vakantievrienden ook gewonen vrienden kunnen maken weten we nog niet. Daarover discussieren we hele avonden, tijdens BBQ’s en bij vuurkorven. We komen er niet uit en de tijd zal het ons leren. Misschien kan ik over een jaar niet eens meer een gezicht in mijn geheugen omhoog halen bij het horen van de naam Tobi (die jongen verdiend een erevermelding). Al betwijfel ik dat, hij heeft zo’n vrolijk hoofd, en hij is heus heel aardig. We gaan deze zomer en het komende najaar nog even door met het vieren van de vakantie, het herdenken van onze mooie dagen in prachtig Italie. Samen met hen. Misschien kunnen we dan, als de tijd rijp is, het woord ‘vakantie’ doorstrepen, zodat alleen ‘vrienden’ overblijft.
Chicks dig banjoos
Moeizaam kom ik na een veel te korte slaap vanuit een geweldige droom terug in de werkelijkheid. Joe zit springlevend op het bed dat tegen het mijne aan geschoven is. ‘Kijk! Kijk dan, ik heb mijn hele koffer al netjes gemaakt! Dat kun jij niet zeggen, hehe, luilak’. Ik open langzaam één oog, beweeg wat met mijn hoofd als antwoord en laat het oog weer dichtvallen. ‘Hoelaat is het?’ murmelt Nol vanonder een berg roze gestreepte lakens. ‘Tijd om naar het strand te gaan!’ Joe zet de muziek aan en zet in. Kreunend draaien Nol en ik ons nog eens om, proberen weer weg te duiken in dromenland, maar de muziek en Joe’s hysterische gegil weerhouden ons er van. ‘Ik ga alvast naar de discount, als ik terug kom ontbijten we hoor, ik wil zonnen. Kijk eens naar buiten hoe mooi weer het is.’ ‘Hmmm’ is het enige wat wij uit kunnen brengen. Zodra de deur dichtvalt vallen ook wij weer in slaap.
We proberen toch enigszins wakker te ogen als Joe terug komt met broodjes, een pot pasta en 20 plastic messen. Het ontbijt in het hotel is rampzalig, dat hebben we één keer geprobeerd. Van half 9 tot half 10 kun je aanschuiven voor een broodje dat zo hard en uitgedroogt is dat je er heel veel jam op moet smeren om het nog een beetje smakelijk te laten zijn. Blijkt de jam ook ontzettend vies. Ja daar gaan we niet onze belangrijke nachtrust voor verstoren. Dus wij eten elke dag op ons kleine maar o zo fijne balkonnetje, waar we elk moment dat we in onze hotelkamer zijn toeven. Communicerend met kamer Katwijk schuinboven ons, Aalten nog veel verder schuinboven en Maarsbergen vlak boven ons. Iedereen gillend lachend rokend en drinkend. Wij ook nog ontbijtend. Als we later naar het strand lopen zingen we ons favoriete lied (ik ken een man en hij heet Henk) en smeren we ons in ter voorbereiding op een lange dag vol zon, zee en strand.
Als we roodverbrand en uitgehongerd zijn zoeken we een restaurant op, eten een ontzettend vieze pizza met paddestoelkwallen en maken ons daarna klaar om te vertrekken naar dé hotspot, dé plek waar we wel 6x zijn geweest, dé plaats waar het ‘s avonds allemaal gebeurd; de Maitai. Ookwel shotjesbar. Daar drinken we cocktails en tequila, ouwehoeren en hossen we, avond aan avond. Imre probeert de ordinaire barvrouw met veel te grote borsten te versieren en wij lachen en kijken toe. We sjansen met italianen, die allemaal op Paolo Nutini lijken, en leren de danspasjes van de acherhoek van onze favo medereizigers. Op de terugweg slenteren we over het strand of langs de veel te lange boulevard. We sleuren lachende en dronken mannen met ons mee en houden aftersunsessies op kamer 104. Het is prachtig.
Als we thuis zijn kijken we met weemoed de foto’s en halen herinneringen op. Veel minder leuk maar toch ook erg fijn. Een dag na thuiskomst smsen we met onze favo reisleider, we missen hem ontzettend. Hij stuurt: ‘Whaaa! Is het normaal dat een ouwe taart een striptease geeft in die shotjesbar?’ En wij maar denken dat wij de enige bezoekers waren, behalve tijdens de salsalessen van vrijdag. Snotverdikkie.
Nog één ding. Ga nooit, maar dan ook nooit, met een busreis mee. Tenzij je het fijn vindt om 24 uur in een bus te zitten die zo vol is dat niemand veel ruimte voor benen en armen heeft, laat staan dat je lekker kunt slapen. Behalve als je een fijne man hebt om je hoofd op neer te leggen, maar aangezien het grootste gedeelte van de mensen dat niet had, laat staan een kussen, is ook dat geen goede reden. Wij sparen voor een vliegticket!
Het zij zo
Je verteld jezelf honderd keer dat het niet uitmaakt, dat je je niet dik moet maken, het geeft allemaal niets, de tijd zal het wel leren. Wees relaxed en leef ook zo. Nu wil het zo zijn dat ik allesbehalve relaxed ben en onrustige aanvallen heb. Wat ik ook doe, ik heb telkens het idee dat ik iets anders zou moeten doen. Onrust tot diep in de buik. Heel vervelend, vooral als je vakantie hebt en je te laat was om je werkrooster op te sturen zodat je de hele week niets te doen hebt. In plaats van bakken geld te verdienen kijk ik alle honderden foto’s van de afgelopen vakanties nog maar eens door en probeer me alle herinneringen weer levendig voor de geest te halen. Luister de liederen die je de hele bustrip hebt geluisterd, in je eentje of met een aantal anderen hebt meegejengeld, en probeer niet droevig te worden bij de gedachte dat het allemaal voorbij is. Italie is weer ver weg, net als de zon die daar achtergebleven lijkt te zijn. Je zet het eigengemaakte vakantielied in (ik ken een man en hij heet Henk) maar je kunt geen coupletten meer bedenken. Je probeert te lachen bij het zien van de fimokleifigurenscene maar ook dat is lang niet zo grappig.
Afgelopen weekend heb ik, samen met de allerliefste vrouwen in de vriendschapsband, een extra groot feest gemaakt. Pratend en nadenkend over de afgelopen weken, lagen we op onze ruggen op het gras. Kijkend naar de voorbij drijvende wolken, net zolang tot er teveel wolken waren om de zon nog door te laten. Toen stonden we op en probeerden samen met het gras ook de ingewikkelde gedachtes achter te laten. Uit het hoofd uit het hart, zeggen ze dan. Uit het hoofd lukte maar even, toen we des ochtends wakker werden met een beetje hoofdpijn en de verplichting om op te staan riep waren de gedachtes er al weer. Nu denkt joe verder na achter haar kassa, net zoals nol die evenzo met een raar pakkie aan in de supermarkt staat, zij het bij de concurrent. Ik lig in mijn bed, tracht te leren en te vergeten.
Wordt vervolgt, geschrapt en aangepast.
Het hier en nu, het daar en straks.
Op vakantie gaan is niet mijn sterkste punt. Een paksessie van hoogstens 5 minuten zoeken en 10 minuten boven op de koffer zitten om hem dicht te krijgen. Met daddycool de auto en dakkoffer volladen. Mama begint al een paar weken van te voren in te slaan, deo’s, zonnebrandcreme’s en oh marije moet jij niet nog een paar goede stappers hebben? Jaaa dat is dan weer een voordeel. Als we om een uur of 3 des nachts vertrekken, kijk ik vol weemoed naar ons huis. Mijn spiksplinternieuwe sneakers aan, een kussen op mijn schoot en tientallen flessen water en zakken snoep binnen een armzwaai.
Dit jaar blijf ik extra lang weg. Eerst met pa, ma en zus, daarna door naar Italië met de twee liefste vrouwen die ik ken. Een tijd vol italiaans ijs, italiaanse zeeën, italiaanse badmeesters. Maar op een gegeven moment is het genoeg. Kan ik er niet meer tegen dat ik telkens op iemand lip zit. Heb ik behoefte aan een plaats die ik alleen hoef te delen met mijzelf en mijn eigen gedachten. Dan moet ik weg en ga ik uren wandelen in mijn eentje. Of aan het eind van de camping op een grasveld zitten, dat kan ook. Nadenken. Over thuis, over de mensen thuis, over het hier en nu en over de mensen die op dezelfde plaats hun kamp opsloegen. Op de een of andere stomme manier verlang ik dan naar huis, en toch ook niet. Weemoed tot in je tenen, je krijgt er rillingen van. Want thuis is het fijner, thuis zijn er andere mensen. Of die mensen er ook echt zijn en of ze het naar hun zin hebben weet ik niet, ik moet er gewoon aan denken. Want thuis heb ik de mogelijkheid hen te zien, hier zit ik ver en ver weg van alles en iedereen. Samen met de berggeiten en stille wateren denk ik na. Het zijn heerlijke momenten. Ik grinnik om mezelf, omdat ik verlang naar huis, terwijl de mensen van wie ik het meest houd vlakbij zijn. En ik voel me gelukkig omdat ik uitkijk over tientallen bergen, blauwe luchten en er enkel wat schapenwolken voorbij mekkeren. Ik laat me achterover zakken in het gras, leg mijn hoofd op de grond en kijk omhoog. Doordrongen van het feit dat ik ben, dat ik besta, dat ik hier ben. En alle mensen kunnen je ineens gestolen worden. Ik ben hier, in het gras, onder een blauwe hemel.
